Terug naar de lijst

INRIJDEN, STARTEN EN STOPPEN VAN DE MOTOR

  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5

Inrijden

Benzinemotor

Rijd de eerste 1000 km niet harder dan 130 km/u in de hoogste versnelling.

Pas na ongeveer 3 000 km zult u over het volle vermogen van de motor kunnen beschikken.

Onderhoudsbeurten: zie het onderhoudsdocument van uw auto.

Stand St: “Stop en stuurslot”

Als u de sleutel uit het slot trekt en het stuur draait, hoort u een klik: de stuurinrichting is nu vergrendeld.

Bij het vrijzetten van het stuurslot draait u het stuur iets heen en weer bij het verdraaien van de sleutel.

Stand “Accessoires” A

Het contact staat af maar de accessoires, bijvoorbeeld de radio, kunnen worden gebruikt.

Stand “Contact aan” M

Het contact staat aan.

Stand D: “Starten”

Indien de motor niet aanslaat, moet u de contactsleutel terug draaien tot de controlelampjes uit gaan voor u opnieuw kunt starten. Laat de sleutel los zodra de motor aanslaat.

auto’s met automatische transmissie

Zet voor het starten de hendel in stand P.

Starten van de motor

Warme of koude motor

- Draai de sleutel tot de stand “Starten” zonder gas te geven.

- laat de sleutel los zodra de motor aanslaat.

Bijzonderheid: als de motor wordt gestart bij een zeer lage buitentemperatuur (minder dan -10 °C): houd het koppelingspedaal ingedrukt tot de motor draait.

Stoppen van de motor

Laat de motor stationair draaien en draai de contactsleutel terug in de stand “stuurslot”.

Zet nooit het contact uit voordat de auto compleet stilstaat. Door het stilzetten van de motor is er geen bekrachtiging meer van Als de motor niet meer draait, werken de stuur- en rembekrachtiging enz. niet meer. Ook werken veiligheidsvoorzieningen zoals airbags en gordelspanners niet meer.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto

Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.

Ze kunnen zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen.

Bovendien kan bij warm en/of zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.

LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.